trage zoenen

illu3-1.jpg
illu1.jpg
illu2-1.jpg

 

 

 

bij jou

is het ochtend

en koud

 

zonnig wit licht

en een dun vliesje dauw

op alles

ook op je gezicht

 

je ligt op je rug

en de maan

kijkt je aan

je aarzelt

en knipoogt verlegen

 

want o god

het zijn

is niet zonder pijn

het regent te veel

dat valt tegen

 

 ----------

 

dag jij

met je ronde ogen

kijk je naar mij?

je lippen krullen

en strelen

een lach

splijt je gezicht

in twee

ongelijke delen

verlangen dient zich

in mij aan

toe neem mij

laat mij gaan

 

 ----------

 

in de donkere straten

van een dorpse stad

sprak je je onverwacht uit

 

in de lachende armen

van die warme nacht

antwoordde ik zonder geluid

 

je bespeelde mijn snaren

je hand hier en daar

je at me met haren en huid

 

de krater sloeg later

als een bom bij mij in

en dat was nog maar het begin

 

 ----------

 

je pakte me in

in roze papier

en als een kadootje

ben ik nu hier

 

je pakt me weer uit

en vol van het spel

zeg ik alsjeblieft en

jij dank je wel

 

 ----------

 

je zit daar en zingt

je open ogen kijken

steeds in die van mij

 

 ----------

 

je hand in mijn hals

glijdt traag en tastend omlaag

mmm, zeg je zachtjes

 

 ----------

 

met open ogen

zien we elkaar en lachen

de ernst ernstig weg

 

 ----------

 

schilderen

poging

je eigen ziel

te pakken

maar vies eigenlijk

die geur van acryl

en stom

die hoge hakken

 

 ----------

 

 verliefdheid, ach, vergeet het maar

de volheid van het leven

is niet gegeven aan degeen

die met zijn huid en haar

verstrengeld en verslingerd is

 

verliefdheid is verlangen naar

het onbeteugeld paard

 

 -----------

 

zie me zacht

in mijzelf praten

en vraag mij

in een donkere nacht

hoe ken

ik je in alle

hoeken

 

 -----------

 

had je gedacht

dat je zinnen zo zweven

dat ze je vuurspuwende vraatzucht

en vloeibare inktzwarte nacht

kunnen laten beleven

maar net zo goed iets anders

 

 ----------

 

neem mij aan met beide handen

laat me in je warmte toe

laat het vuur in mij ontbranden

neem mij, ’t kan niet schelen hoe

neem mijn borsten en mijn buikje

‘k geef ze je gewillig aan

bijt je vast met al je tanden

laat me niet meer, nooit meer, gaan

 

----------

 

je vingers strelen zachtjes

de holte van mijn rug

van boven naar beneden

en dan weer rustig terug

 

 ----------

 

krokussen in de tuin

ik rook kussen in de tuin

vlugge kussen van jou

en bij dezen: kussen terug

 

 ----------

 

zaterdagmiddag

dertien voor twee

ik heb nog

tweeëndertig levens

maar wat moet ik ermee?

zingt zij

achter haar computerspel

het ah fuck daarna

doet geen appel

op mij achter het fornuis

ik met mijn soep

en zij met haar muis

 

 ----------

 

zij droomt

het ritselt

op haar rug

ze lacht

haar veren

ruisen zacht

 

het begin

van alles

is altijd weer

de droom

 

de droom die prikt

en aanspoort, duwt

de droom

die rukt en trekt

die maakt dat zij

haar vleugels spreidt

dan huppelt en vertrekt

 

 -----------

 

ach kindje,

hoe kan je waarheid willen zijn

waarvan de droom de kiem

dat zou te pijnlijk voor me zijn

zo kan ik ’t niet zien

 

de waarheid is

dat wat er is

dat is toch ook niet slecht

en dromen van wat mogelijk is

is vooralsnog niet echt

 

en niet-echt is de waarheid niet

en dromen zijn niet echt

zo, nu heb ik je alles wel

over waarheid uitgelegd

 

 ----------

 

o, ik verlang zo

naar losse teugels

en dat ik dan

mijn vleugels spreid

en de lucht erlangs

voel glijden

en dat ik dan

vrij en zonder zorg

voor morgen

weer een dag

mij van de wereld

af kan scheiden

 

----------

 

wie kan er dansen

en schaatsen en springen

wie kan er schilderen

slim zijn en zingen

 

hoe kun je denken

dat jij dat zult zijn

bespaar je de pijn, kind

en hou het toch fijn

 

willen is grieven

en geloven is grienen

en je kunt er ook helemaal

niets aan verdienen

 

geef je in godsnaam

toch niet aan een droom

en doe vanaf nu weer

gewoon, kind, gewoon

 

 ----------

 

noordzee, zie mij zachtjes aan

en laat mij zonder lijf

en zonder ogen, oren

doorzichtig voor u staan

 

bekijk dan goed

mijn heldenmoed

mijn doodsangst en mijn pijn

en fluister dan voorzichtigjes

dat ik mijzelf mag zijn

 

 -----------

 

toen ik je zag

toen wist ik al

dat ik jou steeds

had gezocht

voor de zekerheid

rook ik

nog even aan je

toen was ik

helemaal

verkocht

 

 -----------

 

heeft de wind

het kind gezien

dat in haar huist

en haar daarom

meegenomen

voordat zij haar

borsten toonde?

 

wist zij daardoor

pas zo laat

dat je vliegt

voordat je gaat?

 

 ----------

 

soms zijn je ogen zo ontspannen blauw

zoals ze zacht in verre vertes kijken

ik moet wel van je houden dan

en als dat al niet al zo was, zou ik

op zo’n moment alsnog voor je bezwijken

 

 ----------

 

ik ben een rivier, zei je

die stroomt zoals het water wil

welk water, vroeg ik

het water van mijn tranen

dat langs de rimpels van mijn huid

langs poriën en putten

langzaam naar beneden glijdt

en zich een weg wil banen

naar eindeloos verlangen

naar grenzeloos gebied

naar verre vertes en weer terug

en rusten in het riet

niet dat dat geen verdriet doet

want water wast en welt

het gutst en golft van angst en moed

het klotst en kolkt met kracht

polijst de knoken van mijn lijf

en maakt mijn hardheid zacht

 

 ----------

 

meer dan machtig

draaiend om eigen as

tornado

onschuldig

gedachteloos nemend

geen zwetende strijd

ik heb het altijd

wel geweten:

kracht zat

maar niet

om mee te meten

 

 -----------

 

geen dier

op papier

dat de rand

niet raakt

van waarheid

 

naakt zijn zij

en blij

dat zij mij niet zijn

 

 -----------

 

ik had je zo grenzeloos graag

de glimlach van gister gegeven

toen alles nog anders was

toen ik nog geloofde in

grappen en grollen en

dollen in het gras

 

 ----------

 

 dag kindje

met je

heel klein beetje

mascara-ogen

slaap je

ook vannacht

bij hem

bemint je vriendje

straks je lijfje

houdt hij ook zo

van je stem?

dag meisje

met je

toch wel

met de mode mee

hoofdje

laat me je

ook morgen nog

kennen

 

 ----------

 

o ja, ik wil leven

maar zonder verdriet

geef mij maar

een kluitje in ’t riet

en dan genieten

als suikerbiet

 

 ----------

 

ik strijd met

ijle hoogmoed

die weet

wat verkeerd is

en altijd goed doet

om goedkeuring

 

voor mijn vette vlekken

en mijn vormeloosheid

voor mijn boerenbotheid

ik heb altijd spijt

ik doe nooit genoeg

ver weg blijft zij

hoe ik ook zwoeg

 

ik blaas mij op

ik rek mij uit

en probeer niet te horen

hoe mijn oren fluiten

 

----------

 

papaatje, nu

iets kleiner dan ik

je armen slap langs je lijf

je handen iets naar mij toegekeerd

wil je misschien dat ik blijf?

je voeten op zachte zolen

een smaakvolle wollen trui

je moet soms een klein beetje huilen

beweegt je een klein beetje stijf

maar dan zie ik in je ogen

de warmte van weleer

en om je mondje daar glinstert

warempel de liefde nog meer

dan fluister ik zacht in je oortje

o papaatje, toe

geef me een leven

om van je te houden

nog een keer

nog een keer